Hoe heb je voldoende oog voor akoestiek bij het integreren van trappen, leidingen en kokers in een project? Prof. dr. Ir. Marcelo Blasco legt het uit.

Akoestiek moet van bij de aanvang van het project in rekening worden gebracht. Vele architecten vergeten dit en komen later in de problemen omwille van het feit dat een hele reeks zaken moeten aangepast worden. In het eerste deel van dit artikel werd gesproken over bouwdetails. In dit tweede deel bekijken we enkele mogelijke oplossingen voor trappen, leidingen en kokers bij het integreren ervan in gebouwen.

 

Akoestiek manifesteert zich op bijna alle fronten van het gebouw, daarom moet ook hier voldoende aandacht aan gegeven worden. Expertises tonen aan dat in 70 % van de onderzochte gevallen, installatielawaai mede een probleem vormt. Men spreekt dan over lawaai van buizen (doorsassen), liftlawaai, wasmachines,... De Belgische norm NBN S01-400-1(2008) stelt hier duidelijke grenzen voor het installatielawaai en ze zijn niet mild. We zouden zelfs kunnen zeggen dat dit gedeelte uit de norm het strengste is van alle opgenomen eisen. Zo is er naast een begrenzing van het geproduceerde lawaai ook nog een beperking van de overschrijding van het omgevingsgeluid in de betrokken ruimte ten gevolge van installaties. Deze wordt beperkt tot 3 dB in slaapkamers. Dit is erg streng. Dit zet aan tot nadenken en noodzaakt nieuwe planopstellingen in appartementen: men kiest dus slaapkamers zo ver mogelijk van alle mogelijke technische installaties. Bij bepaalde vormen van verkoop is dit moeilijk, bijvoorbeeld bij casco-appartementen. Het is daarom noodzakelijk om de bouwheer vooraf voldoende te informeren.

 

De hierna volgende tabel geeft de eisen op die gesteld worden aan het gestandaardiseerde installatielawaai LAinstal,nT voor de twee kwaliteitsniveaus voor woongebouwen.

Eisen met betrekking tot het installatielawaai in verschillende ruimten volgens NBN S01-400-1 (2008)

Verder dienen beperkt te worden:

  • de overschrijdingen ten gevolge van de werking van technische installaties opgesteld in ruimten buiten de beschouwde meetruimte maar behorende tot het gebouw;
  • de overschrijdingen ten gevolge van het afgestraalde lawaai dat veroorzaakt wordt door leidingen en kokers binnen en buiten de beschouwde meetruimte.

Eisen met betrekking tot de beperking van de overschrijding van het achtergrondgeluidniveau

Liftsas /trapkoker:

In appartementen komen veel fouten voor bij de scheidingsmuur tussen een appartement en de gemeenschappelijke liftsas en de inkomdeur van het appartement die daarop uitgeeft. Vele architecten vergeten dat ook hier de akoestische eisen van toepassing zijn. Het is zo dat in ‘moderne’ appartementen een inkomhal meer en meer wordt weggelaten. Dit betekent dat de inkomdeur dan meestal rechtstreeks toegang heeft tot de woonkamer (meestal met een open/doorlopende gang als tussenruimte). Akoestische metingen hebben in de praktijk aangetoond dat zelfs met akoestische inkomdeuren de luchtgeluidsisolatie tussen het gemeenschappelijk liftsas en de living hierbij geenszins voldoet aan de opgelegde akoestische eisen van DnT,w >= 54 dB (normaal comfort) of 58 dB (verhoogd comfort). Meestal (afhankelijk van de planindeling) is het resultaat in situ ongeveer 15 à 20 dB lager. Maar een inkomsas met een glazen deur (zonder profiel) is veelal ook ontoereikend. Akoestische metingen hebben hier aangetoond dat de onderschrijding ten opzichte van de normeis nog gemakkelijk 10 à 15 dB bedraagt. De architect moet zich hiervan bewust zijn en elke afwijking van de norm vooraf melden (vb. als er geen inkomsas waardoor de eis wellicht niet behaald kan worden). Nochtans blijkt dat vele bewoners minder klagen over het geluid van de liftsas naar de leefruimte, dan van de liftsas naar de slaapkamer. Dit is het volgende geval.

De trapkoker zelf zal in appartementen gescheiden worden van de gemeenschappelijke liftsas door brandwerende deuren. Men mag niet vergeten dat deze trap- of liftkoker best onafhankelijk wordt opgebouwd van de rest van de constructie; dit betekent eveneens met een dubbele muur. Als dit het geval is dan is een hard contactpunt (indien van toepassing: prefabtrap versus ter plaatse gestorte trap) op de binnenmuur minder een probleem. Wat wel belangrijk blijft is dat de trap aansluit op de zwevende dekvloer van de verdieping, tenzij een uitzetvoeg is voorzien rond de koker. De zwevende dekvloer loopt dus door van de trapkoker naar de rest van die verdieping. Hierbij zal dan de trap zelf moeten opgelegd worden op een specifieke resiliërende laag die gedimensioneerd is op basis van de totale permanente en mobiele lasten. Indien de trapkoker niet gescheiden is dan spreekt het vanzelf dat elke harde connectie met de omringende wanden nefast is voor de contactgeluidsisolatie. Dat valt te vermijden. De verbinding met de zwevende dekvloer blijft, net zoals in het geval van een gescheiden koker. Ook hier zouden problemen zich minder snel manifesteren omdat de bewoners minder geneigd zijn om de trappen te gebruiken, maar het doet zich soms wel voor.

Opleg van de trap op een specifieke resiliƫrende onderlaag

Technische kokers en leidingen

Technische kokers kunnen zich op verschillende plekken bevinden. Veelal vinden we ze in een koker in een technische ruimte (minder cruciaal), in een natte ruimte (cruciaal) of in een leefruimte (crucialer). Het spreekt voor zich dat hoe verder deze kokers verwijderd zijn van gevoelige ruimtes (vb. slaapkamer), hoe beter. Deze kokers omvatten vele leidingen. We beperken ons in dit artikel tot afvoerleidingen en ventilatieleidingen.

 

De leidingkokers zelf zijn typische overdragers van geluid doorheen het hele gebouw indien ze naakt zijn uitgevoerd. Het gebruik van absorptiemateriaal (vb. droge en ontstofte rotswol) is aangewezen om klankkasteffecten te onderdrukken in de kokers. De kokers worden best uit zwaar materiaal opgebouwd om in die zin elke mogelijke overdracht van geluid te beperken, rekening houdend met de toch strenge eisen uit de NBN S01-400-1 (2008) voor woongebouwen.

 

Voor de afvoerleidingen zelf zijn er enkele maatregelen die men kan toepassen. Ten eerste, het plaatsen van verluchtingspijpen om het gorgelend geluid veroorzaakt door aangezogen of weggeduwde luchtmassa’s te vermijden. Ten tweede, zo min mogelijk richtingsveranderingen of asverspringingen gebruiken bij valleidingen (vuil water); ook het vermijden van bochten van 90°. Ten derde, het gebruik van zwaardere buizen (vb. PE buizen met Bariet) die minder geluid zullen afstralen. Ten vierde, het gebruik van akoestische beugels om de leidingen in de kokers te bevestigen aan de wanden van de koker. De trillingsdempende beugels zorgen er voor dat trillingen van de leiding niet overgedragen worden op de wand en dat de leidingen vrij kunnen uitzetten. Men past de diameter van de beugel aan aan de diameter van de afvoerleiding. Hierbij zorgt de beugel voor een goede inklemming, maar men moet erop toezien dat de trillingsdempende laag niet te hard wordt samengedrukt, waardoor het dempende effect kan verloren gaan.

 

Afvoerleidingen doorheen wanden/vloeren, indien van toepassing, moeten (lokaal) omzwachteld worden met een soepel materiaal (vb. rotswolschaal of equivalent) zodat de leiding geen hard contact maakt met de constructie. De voegen worden afgewerkt met elastische mastiek.

Componenten van leidingen in kokers

Voor de ventilatieleidingen in de kokers moet men in acht nemen dat het installatielawaai van de luchtgroep voldoende laag is. Hiervoor voorziet men in de luchtgroep een primaire geluidsdemper of in elke leiding vlakbij de aansluiting op de luchtgroep. Men opteert in die zin ook om de luchtsnelheid in de hoofdbuis (geplaatst in zwaar uitgevoerde kokers) te beperken tot 4,5 m/s en in het eindkanaal naar de eindeenheid tot 2 m/s.

 

Verbonden ventilatieleidingen van lokalen over verschillende verdiepingen is ook een typisch probleem. Deze kanalen zijn als het ware “telefoonverbindingen” die het geluid overdragen van één ruimte naar een andere. Ofwel maakt men gebruik van een gescheiden stelsel ofwel gebruikt men akoestische flexibels of akoestische dempers als tussenstuk. Let op het eventuele drukverlies voor de mechanische ventilatie en de dimensionering ervan. In de meeste ruimtes zal een bijzondere aandacht moeten gaan naar de manier waarop de lucht in de ruimte wordt gebracht en teruggenomen. De meeste ruimten kunnen een hoge bezettingsgraad hebben en vragen vele luchtwisselingen. Het wegnemen en vooral het inbrengen van dergelijke relatief grote debieten vraagt een correcte selectie van de eindeenheden om het stromingsgeluid te beperken. De maximale in/uitblaassnelheid wordt steeds beperkt tot 2 m/s om stromingsgeluid te vermijden.

 

Voor de tracés van de ventilatieleidingen houden we rekening met volgende aspecten. Zorg ervoor dat het drukverlies minimaal is. Bochten van 90° (rechthoekig), plotse veranderingen in doorsnedes, loodrechte aftakkingen veroorzaken hoge drukverliezen en hogere stromingsgeluiden en zijn dus te vermijden. Men moet ook verder in het oog houden dat het afgestraalde geluid door de leidingen in de ruimte ten minste 10 dB onder de prestatie-eis voor de betreffende ruimte ligt. Met andere woorden; het geluid afgestraald door de leidingen mag niet wezenlijk bijdragen tot het geluidsniveau in de ruimte. Hoofdkanalen die  vanaf de technische ruimte vertrekken worden dan voorzien in technische kokers (verticaal) of in plafonds (horizontaal) van minder geluidgevoelige ruimten zoals gangen. Verder wordt de doorvoer van kanalen doorheen wanden tussen lokalen met een onderlinge geluidisolatie ≥ 40 dB wordt zo veel mogelijk vermeden.