In een project van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) werd de doelmatigheid van de brandveiligheid in ouderenvoorzieningen onderzocht, in het bijzonder in de nieuwe zorgconcepten. De studie werd uitgevoerd door Exova WFRGent en de universiteit van Gent en werd beëindigd in september 2016.

Aanleiding tot dit onderzoek is de vaststelling dat het schema voor een Woon- en Zorgcentrum, waarbij alle ruimten met elkaar verbonden worden door de vluchtweg, in meer en meer ontwerpen vervangen wordt door een model zonder gang. De kamers geven vaker uit op de leefruimte.

Dit is in ouderenvoorzieningen zo, maar dezelfde vaststelling is te maken in zo goed als in alle andere programma’s, denk bijvoorbeeld aan de landschapskantoren of de polyvalente ruimten tussen de klaslokalen. Lange gangen zijn zelden echt aantrekkelijke architecturale elementen geweest, ze zijn kenmerkend voor een instituut, administratie, school of ziekenhuis.


Een speciaal daarvoor opgericht gebouw werd volgestouwd met allerhande meetapparatuur en camera’s. Telkens werd dezelfde zetel van een bekend Zweeds merk in brand gestoken met wijzigende randvoorwaarden (open/gesloten gangdeuren, sprinklers, ontroking…).  De metingen gaven daarenboven resultaten die de onderzoekers konden implementeren in een computermodel, talrijke simulaties afkomstig uit dit model werden geanalyseerd.

De gang is in de brandbeveiliging de ruggengraat van de evacuatie, het is de vluchtweg die toegang geeft tot trappenhuizen, vluchtterrassen of uitgangen. De proeven van deze studie geven ons onder meer inzicht in de uiterst belangrijke circulatie van de rook van de ene ruimte naar de andere bij brand. De inzichten die de studie geeft in wat met de rook gebeurt in de ruimte naast de brandhaard (de gang) zijn van levensbelang.

 

Voor ons ontwerpers is het belangrijk dat we stilstaan bij de drukverhoging in de ruimte waar de brandhaard zich bevindt. Hierdoor wordt de rook geperst door de kieren van de deur naar de aangrenzende ruimte. Rook is bij brand de grootste moordenaar! Of de deur brandwerend is of niet maakt niet uit (de temperatuur van de rook is bij aanvang van de brand onvoldoende om het brandwerend schuim te doen reageren). Daar de temperatuur blijft stijgen in de brandende ruimte,verhoogt het drukverschil naar de aangrenzende ruimte. Deze rook is niet noodzakelijk de warmste, maar omdat dezetoxisch en ondoorzichtig is, hindert de rook aanzienlijk de evacuatie en is dan ook uitzonderlijk gevaarlijk in de eerste minuten na het ontstaan van de brand.

 

In het geval van het model, is bij de test gebleken dat na 140 seconden na het starten van de brand in de ruimte met de brandhaard, maar ook in de aangrenzende (evacuatie) ruimte, de zichtbaarheid werd herleid tot nul op 180 cm hoogte. De daling van de zichtbaarheid is afhankelijk van de ruimte, maar uitermate indrukwekkend in verhouding tot de vuurhaard. In de derde ruimte was op dat ogenblik amper rook. Wat daaruit volgt is dat bij een brand in een ruimte, de aangrenzende ruimte, vaak de evacuatieweg, heel vlug onbruikbaar wordt. Kamerhoge deuren gaan dit versnellen, de rook gaat eerst door de bovenste kier.

 

Geruststellender is dat in de ruimten gescheiden door twee deuren van de brandhaard (andere kamers uitgevend op de evacuatieweg) er amper rookontwikkeling wordt vastgesteld in de cruciale eerste minuten van een brand. Het drukverschil tussen gang en kamer is nog onvoldoende om rook door de kieren te persen. Dit verklaart meteen waarom bij brand in een hotel de meeste slachtoffers vallen onder de gasten die hun rookvrije kamers hebben verlaten. 

 

Het is onvermijdelijk dat de inzichten die volgen uit deze zeer goed onderbouwde studie invloed gaan hebben op regelgeving in Vlaanderen. Ik denk bijvoorbeeld aan de onderstaande aspecten.

 

Evacuatie bij brand door de evacuatieweg moet in vraag worden gesteld, zeker voor bedlegerige of slapende gebruikers. Het model waarbij de bewoners in hun kamer de evacuatie afwachten (“defend in place”) tot dat de brandweer de weg vrijmaakt gaat ongetwijfeld meer en meer overwogen worden.

 

Het gebruik van sprinklers zal meer en meer ingang vinden. Sprinklers bieden geen oplossing tegen de rook in de ruimte, maar gaan de branduitbreiding beperken. Daarenboven door het water uit de sprinklers zal de temperatuur van de ruimte waar de brandhaard zich bevindt minder vlug stijgen waardoor de rook later (of niet) naar de aangrenzende ruimte wordt geperst. Ter gelegenheid van deze studie bleken “huiselijke sprinklers” heel efficiënt. Er bestaan hiervoor nog geen normen, waardoor hun gebruik bij ons geen ingang vindt.

 

Specifiek in de WZC (maar ongetwijfeld ook in alle andere zorggerelateerde huisvestingsvormen) zullen er andere eisen worden opgelegd worden als de kamer uitgeeft op de leefruimte, vb.aan de deur tussen de kamer en de aangrenzende leefruimte (rookdichte deur). Maar ook maatregelen om de drukopbouw in de brandruimte tegen te gaan (zoals toepassing van sprinklers of gestuurde ontroking). Een bijkomende evacuatiemogelijkheid via bijvoorbeeld (vlucht)terrassen is ook een optie.

 

Als besluit moeten we toejuichen dat de overheid alvorens de regelgeving aan te passen investeert in een verregaand academisch onderzoek en dat de resultaten gedeeld en afgetoetst worden met alle betrokkenen, gebruikers, fabrikanten, brandweerlui, administraties en ontwerpers. Ik ben alvast overtuigd geraakt dat de regelgeving die hieruit zal voortvloeien verantwoord is. De studie is dan ook aan te raden aan een ieder die betrokken is in de materie,. De achtergrond voor toekomstige regelgeving inzake brandpreventie is nog nooit zo goed gedocumenteerd en onderbouwd geweest.