Het arrest van het Hof van Cassatie, waarin werd bepaald dat een architect een volledige opdracht kan beperken tot de ruwbouw-winddicht, heeft bevestigd dat een opdrachtgever niet wettelijk verplicht is om beroep te doen op de medewerking van een architect voor de werken na de fase ruwbouw-winddicht. Hieronder vindt u hierover een uitgebreide juridische analyse van mr. Christophe Lenders van GSJ-advocaten.

ARCHITECTENOPDRACHT

 

1. Het wettelijk monopolie van de Architect

 

1.1. De Architect heeft het wettelijk monopolie tot het opstellen van de plannen en het uitoefenen van  de controletaak op de uitvoering van deze plannen. Dit overeenkomstig artikel 4 van de Architectenwet van 1939 dat stelt: “De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd.”

 

1.2. De opdracht van de Architect wordt nader ingevuld in het Reglement van Beroepsplichten. Hieromtrent stelde het Hof van Cassatie in haar arrest van 6 januari 2012 (C.10.0182.F) dat deze van openbare orde is, minstens wat betreft de verdere precisering omtrent de verplichtingen voortspruitende uit artikel 4 van de Architectenwet van 1939.

 

Artikel 20 van het Reglement van Beroepsplichten, onderscheidt de verschillende opdrachten waarmee een architect belast is. Daarbij worden 7 opdrachten onderscheiden waarvan onder het 6de gedachtestreepje “het uitvoeringsdossier én de opdracht voor de controle van de werken”. De Nederlandstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten bevestigde in haar arrest van 15 september 2007 dat de Architect zich niet kan ontdoen van het uitvoeren van deze opdracht zo hij is gelast met een volledige architectenopdracht:

 

“Het Reglement laat, minstens impliciet toe dat de architect bepaalde van de onderdelen opgesomd in artikel 20, met uitzondering van het uitvoeringsontwerp en de opdracht tot controle, niet op zich neemt, uiteraard met instemming van de bouwheer.” (Nederlandst. Raad v. Beroep, 15 september 2007, onuitg.) (eigen accentuering en onderlijning)

 

Artikel 21 stelt dat : “In toepassing van de wet van 20 februari 1939, mag de architect de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken. Van dit beginsel wordt afgeweken wanneer de architect de verzekering heeft dat een ander architect, ingeschreven op een tableau of op een lijst van stagiairs, met de controle belast is. In dit geval geeft hij hiervan kennis aan het openbaar bestuur dat de bouwtoelating heeft verleend, evenals aan zijn Raad van de orde, en deelt de naam mee van de architect die hem opvolgt.

  Hij zal op dezelfde wijze handelen wanneer hij, na een uitvoeringsontwerp te hebben afgeleverd, door de bouwheer van de controleopdracht wordt ontheven.”

 

1.3. Het wettelijk monopolie is dan ook slechts maximaal te beperken tot het opmaken van de plannen en het uitvoeren van de controletaak. Deze taken zijn van openbare orde. De controle door de architect op de uitvoering van de werken impliceert daarbij een regelmatig bezoek op de werf dat hem toelaat na te gaan of de werken effectief conform de plannen worden uitgevoerd en, gelet op zijn vakkennis, op te treden wanneer problemen bij de uitvoering rijzen en deze desgevallend op te lossen (Cass. 27 oktober 2006, Arr. Cass. 2006,2147).

 

De controletaak die van openbare orde is, is daarbij niet contractueel wijzigbaar. Een architect kan zijn controletaak dan ook niet beperken tot die werfbezoeken die ‘op afroep’ door een bouwheer zouden worden gevraagd.

 

2. De verplichte controle van de architect is alleen vereist voor de werken waartoe de stedenbouwkundige vergunning is vereist én voor die werken tijdens de realisatie ervan die de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen of de stabiliteit van het gebouw wijzigen.

 

 

2.1. In een arrest van 19 mei 2016 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de tussenkomst van de architect niet verplicht is voor alle werken die noodzakelijk zijn voor het gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming die volgens de stedenbouwkundige vergunning aan het gebouw zal worden gegeven.

 

Het Hof erkent daarbij uitdrukkelijk dat na de uitvoering van de ruwbouwwerken de architect niet gehouden is verdere tussenkomsten te verlenen voor de afwerkingswerken, die op zich wettelijk zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect of waarvoor op zich geen stedenbouwkundige vergunning vereist is:

 

“Na de uitvoering van de ruwbouwwerken, is de architect aldus niet gehouden verdere tussenkomsten te verlenen voor de afwerkingswerken, die op zich wettelijk zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect of waarvoor op zich geen stedenbouwkundige vergunning is vereist.”

 

Auteur K. UYTTERHOEVEN verwees in zijn bijdrage in het boek over de architect in de 21ste eeuw (K.UYTTERHOEVEN, De architect in de 21ste eeuw. Beschermde ondernemer of (vogel)vrij beroep, Antwerpen, Intersentia, 2016, 46-48.) naar eerdere uitspraken van lagere rechtscolleges en meerbepaald van het Hof van Beroep te Luik van 2014 (Luik 19 juni 2014 onuitg., www.juridat.be, Justel nr. F-20140619-9) en van de Rechtbank van eerste Aanleg te Antwerpen van 1981 waarin werd geoordeeld dat artikel 4 van de Wet van 20 februari 1939 niet verbiedt dat de architect zijn tussenkomst beperkt tot de gesloten ruwbouw. Tevens wordt gewezen op het feit dat in artikel 21 van het Reglement van Beroepsplichten noch expliciet, noch impliciet een aanwijzing kan worden gevonden van een algemeen verbod voor de architect om een architectenopdracht te aanvaarden die beperkt is tot de wind- en waterdichte ruwbouw.

 

2.2. Het Hof van Cassatie voegt in haar arrest van 19 mei 2016 aan hoger geciteerde paragraaf toe:

 

“De architect kan zodoende zijn controletaak beperken tot de ruwbouw-winddichtfase, tenzij de afwerkingswerken de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen of de stabiliteit van het gebouw wijzigen.”

 

Met deze laatste toevoeging lijkt het Hof van Cassatie aan te geven dat voor zover in de afwerkingsfase toch werken worden uitgevoerd waarvoor op zich een stedenbouwkundige vergunning vereist is én die niet overeenkomstig de wet zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect, de architect hierop toch controle dient uit te voeren.

 

Het Hof van Cassatie benadrukt daarbij verder in het arrest dat de vraag of afwerkingswerken van die aard zijn dat zij constructieproblemen kunnen veroorzaken of de stabiliteit van het gebouw kunnen aantasten, een feitelijke beoordeling uitmaakt:

 

“De vraag of de afwerkingswerken van aard zijn constructieproblemen te veroorzaken of de stabiliteit van het gebouw aan te tasten, dient in feite te worden beoordeeld.”

 

Het zal dus zaak zijn om in de architectenovereenkomst duidelijk te omschrijven en te bepalen welke werken precies behoren tot de ruwbouw-winddichtfase, waarbij dan ook aandacht wordt besteed aan de vraag of er tijdens de afwerkingsfase al dan niet nog werken moeten worden uitgevoerd die de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen of de stabiliteit van het gebouw wijzigen. Desgevallend kunnen de afwerkingswerken die controle van de architect vergen ook duidelijk benoemd worden in de overeenkomst.

 

Te herinneren en te benadrukken is dat daarbij de controletaak niet afhankelijk is van de vraag daartoe te stellen door de bouwheer en dus de architect zelf initiatief zal moeten nemen om zijn controletaak tijdig uit te voeren. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de architect om na te gaan of en in hoeverre hij zijn controletaak dient uit te voeren.

 

2.3. Belangrijke aandachtspunten zijn:

 

a) in de overeenkomst te voorzien:

 

Voorwerp van de opdracht:

 

“De opdracht omvat de ontwerpopdracht en de controleopdracht met betrekking tot het programma zoals hierbij beschreven.

 

De ontwerpopdracht omvat de werken genoemd in bijlage 1 bij deze overeenkomst houdende de vergunningsplichtige werken en deze welke betrekking (kunnen) hebben op de stabiliteit (hierna ‘Werken Ruwbouw, Water- en Winddicht’), alsook de werken die noodzakelijkerwijze vermeld dienen te staan op de plannen teneinde op ontvankelijke wijze het bouwaanvraagdossier te kunnen indienen. Bij het uitvoeren van diens ontwerpopdracht zal de architect daarbij rekening houden met de werken genoemd in bijlage 2 bij deze overeenkomst en waarvan de opdrachtgever stelt dat deze werken door hem na voltooiing van de werken ruwbouw, water – en winddicht, zullen worden uitgevoerd en waarvan partijen overeenkomen dat deze niet tot zijn controleopdracht behoren (hierna ‘de Afwerkingswerken’).

 

De taken die verder genoemd staan in deze overeenkomst en die voortspruiten uit de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect, hebben uitsluitend betrekking op de Werken Ruwbouw, Water – en Winddicht en niet op de Afwerkingswerken waartoe hij de architect niet beopdracht.”

 

Controletaak

 

“De controletaak van de architect heeft betrekking op het voorwerp van de opdracht zoals beschreven in de overeenkomst. De architect wijst de opdrachtgever erop dat alle Afwerkingswerken die noodzakelijk dan wel nuttig zijn om de bestemming te bekomen welke is aangegeven in het bouwaanvraagdossier, niet het voorwerp uitmaken van huidige opdracht tenzij deze de stabiliteit van het gebouw wijzigen en de afwerkingswerken de oplossing van het constructieprobleem met zich meebrengen.

 

Daarbij wijst de architect de opdrachtgever op de omstandigheid dat zo de opdrachtgever de Afwerkingswerken zou wijzigen hij dienaangaande de Architect dient te raadplegen zodat de Architect in de mogelijkheid wordt gesteld om na te gaan of en in welke mate hij zijn wettelijk voorziene controletaak kan uitvoeren.”

 

b) Aandachtspunt

 

b.1.      Het feit dat de architect geen volledige opdracht aanvaardt, betekent niet dat hij hoegenaamd geen enkele aansprakelijkheid zou dragen met betrekking tot de hierboven genoemde Afwerkingswerken. De architect zal rekening moeten houden met het programma van de opdrachtgever. Tevens zal hij in het ontwerp deze door de opdrachtgever voorziene Afwerkingswerken zoals door de opdrachtgever aangegeven, moeten inpassen in zijn ontwerp opdat de uitvoering mogelijk is.

 

De Architect draagt daarbij een informatie- en waarschuwingsplicht met betrekking tot deze werken. De Architect kan zich daarbij niet vrijwaren van zijn aansprakelijkheid voor deze taken, net zomin als hij zich kan vrijwaren van zijn aansprakelijkheid voor zijn wettelijke controletaak.

 

b.2.      De advies en informatieverplichting, alsook de verplichting om de controletaak uit te voeren op de werken die betrekking hebben op de stabiliteit van het gebouw, lijken de Architect ertoe te moeten aanzetten om in het kader van zijn ontwerp voor de ruwbouw, onmiddellijk te voorzien dat de door de opdrachtgever uit te voeren Afwerkingswerken zo min mogelijk de stabiliteit kunnen raken.

 

Aldus lijkt het bijvoorbeeld aangewezen om de ruwbouwopeningen voor de ventilatiekanalen meteen te voorzien op de ruwbouwplannen zodat er later niet meer moet geboord worden door draagvloeren.

 

3. De architect en de opdracht met betrekking tot de niet vergunningsplichtige werken.

              

3.1. In principe lijkt niets te verhinderen dat een architect behoudens een opdracht die behoort tot het wettelijk monopolie als architect, tevens ontwerpopdrachten zou aannemen met betrekking tot het ontwerp en periodieke bijstand wanneer deze betrekking hebben op niet vergunningsplichtige werken. Daarbij kan deze architect dan bedingen dat hij geen (wettelijke) controletaak uitoefent, doch na het ontwerp te hebben getekend, slechts op vraag van de bouwheer nazicht ter plaatse zal komen doen.

 

Ook lijkt niets te verhinderen dat een architect een overeenkomst zou afsluiten om bijstand te verlenen bij de uitvoering van werken voor werken die niet vergunningsplichtig zijn en waarvoor hij geen opdracht heeft ontvangen tot het opstellen van plannen.

 

3.2. Het lijkt daarbij evenwel aangewezen dat de architect zo hij niet handelt in het kader van zijn monopolie, dit uitdrukkelijk vermeldt in de overeenkomst.

 

-       Het hanteren van een andere benaming in zowel overeenkomst als in verslagen, lijkt aangewezen. Te denken valt aan begrippen als  ‘Ontwerper’ en of ‘Technische Raadgever’ (voor wat betreft de uitvoering).

 

-       Het uitdrukkelijk opnemen in de overeenkomst van hiernavolgende bepaling: “Het voorwerp van deze opdracht ressorteert niet onder ontwerpen en werken waartoe de tussenkomst van een architect wettelijk verplicht is. De architect treedt in deze op als ‘Ontwerper’/‘Technisch Raadgever’ met betrekking tot werken die niet vergunningsplichtig zijn en waartoe de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect, niet geldt. De afspraken tussen partijen worden aldus geregeld door huidige overeenkomst en deze van het gemene recht.”

Nuttige links
'Eindelijk eens goed nieuws in verband met uw aansprakelijkheid….'

Opinie Philip Adam, secretaris Netwerk Architecten Vlaanderen