Opinie

"Onder de prijs werken is nefast, ook voor stagiair-architecten. Zij verdienen een beter statuut."

Architect Jozef Hessel, A1AR • 11 mei 2021

Het was architect-urbanist Johan Rutgeerts die de kat de bel aanbond op 29 april 2021 in zijn rubriek Dwarsbeuk. Daarin stelde hij aan de kaak dat het statuut van stagiair ergens ronddoolt en doorheen de jaren aan de basis ligt van een veel grotere problematiek. Dit nog geen twee uur nadat de Orde een mail uitstuurt met de nieuwe tarieven die gelden voor stagiair architecten. Zou ik niet beter weten zou ik denken dat Architectura Rutgeerts snel heeft gevraagd hierover een opinie te schrijven die past binnen zijn rubriek maar dat zou de kwalitatieve reputatie van beiden veel te weinig eer aandoen. Misschien was het wel de omgekeerde richting en had de Orde op één of andere dubieuze wijze net voor het uitsturen van de nieuwsbrief nog kennis genomen van de opinie en wou het nog even hun reputatie bijsturen …

Het zou zomaar even kunnen want op 15 juli 2019 hadden ze reeds een gelijkaardig communicatie uitgestuurd maar dan lagen de lonen echt wel aan de lage kant. Voor een stagiair met 0 tot 6 maand ervaring publiceerde Arch-Index een uurloon van 11,80€/u. Daaronder stond zelfs te lezen: 

“De stagiair dient echter steeds zelf zijn loon te onderhandelen met de stagemeester. De vermelde bedragen dienen dus alleen als richtlijn. De Orde van Architecten kan een verplicht minimum uurloon niet afdwingen.”

 

Te elfder ure kwam de Orde nog snel met een mail dat zij, en ik citeer, eerst en vooral wil benadrukken dat zij al jaren ijvert voor een correcte vergoeding voor stagiair-architecten. Hierbij verwijzen zij naar artikel 12 van het Reglement van Beroepsplichten. Een maand daarvoor hadden ze nog uitgestuurd dat ‘maar’ 14% van een anonieme rondvraag afweek van dit minimumloon. Al vonden ze dat 14% nog altijd 14% teveel was. Gelukkig sturen ze anno 2021 hun communicatie bij en trekken ze het loon, in navolging van hun streven naar correcte verloning, op met 0,16€. Een terechte loonsopslag als je weet dat het loonoverleg net spaak is gelopen over een imperatieve loonmarge van 0,4%. De 0,16€ is immers een stijging van 1,3% of meer dan 3 keer de opslag waarover de vakbonden en werkgevers nu al maanden palaveren. Of heeft de opslag niets met opslag te maken maar met een economische realiteit waarvan de Orde wil dat deze weerspiegelt wordt bij hun leden. Laat me toe even in de war te zijn want de 0,4% loonopslag waarover het Solidariteitakkoord gaat komt bovenop de Index. Een Index van 0,74% volgens het Federaal planbureau in 2020. Dus 0,4% bovenop 0,74% maar dan nog kom ik niet aan de royale opslag die de Orde in hun nieuwsbrief van 29 april vooropstelt.

 

Moesten onze mandatarissen onderdeel zijn van de sociale partners zouden ze waarschijnlijk aanschouwt worden als Commedia dell'arte waarbij een scenario wordt vastgelegd en waarbij de deelnemers naar eigen smaak en talent mogen improviseren en zoveel als mogelijk toespelen op actuele gebeurtenissen. Want hoogstwaarschijnlijk heeft de opslag te maken met de minimale ereloonstijging die er voor vele architecten harde realiteit is. Wanneer ik onbezonnen mijn mening deel op sociale media bevestigt de vele aandacht die mijn post krijgt dat het onderwerp levendig is. Het is een uitgebreide opsomming van redenen die ons sterken in het gedacht dat het doel de middelen heiligt. Iedereen erkent het probleem, meer zelfs, ik heb de indruk dat we er iets aan willen doen moesten we kunnen. Maar wij hebben niet veel marge, wij moeten gratis werken, wij hebben teveel verantwoordelijkheden dus … wij gaan onze medewerkers maar half of niet betalen. Ik zou hier wat witruimte nodig hebben, beste redactie. Ik heb nood aan wat reflectie, aan enkele lege regels die even de tijd nemen om na te denken. Want ik vraag me af hoeveel architecten bovenstaande tabellen al gebruikt hebben om hun eigen medewerkers wijs te maken dat ze nog zo slecht niet betalen.

 

Op deze manier sussen we ons geweten dat de vergoedingen van stagiairs niet anders kunnen. We zijn nu eenmaal een onrendabel beroep waarbij de Orde er niet in slaagt barema’s vast te leggen, waarbij de Orde er niet in slaagt onze meerwaarde voldoende te duiden, waarbij Europa alsmaar meer roept om concurrentie en waarbij de vele wedstrijden onze winsten fnuiken.

 

Moesten we hiermee onderhandelen met vakbonden zouden ze ons met grote zekerheid afschilderen als één groot schouwtoneel, Comedia dell’arte dus. Want als architecten de centen hebben om te wonen in een villa met dure details moeten ze toch geld genoeg verdienen. Zo clichématig en onbezonnen is de discussie geworden.

 

Verantwoordelijkheid nemen als sector

Een ongenuanceerde uitspraak die thuishoort in een opinie, maar ik wil de knuppel in het hoenderhok gooien. We zijn minstens 5 jaar opgeleid om te beseffen welke verantwoordelijkheden we moeten nemen. Hoe wij het maatschappelijk belang moeten dienen en hoe wij met onze holistische aanpak een ingrijpend bouwtraject in goede banen kunnen leiden. We vergeten gewoon eventjes de verantwoordelijkheid over ons eigen team te nemen. Onze mensen die dagelijks keihard werken omdat ze geloven mee te kunnen bouwen aan onze samenleving. Zijn we dan verwonderd waarom wij onze geloofwaardigheid verliezen? Dat het statuut van de stagiair aan de basis ligt, zoals Rutgeerts schrijft, klopt helemaal. Daar start de miskleun. Geen enkel ander beroep zet zijn beginnende leden zo in de markt. Maar hoe komt het dat we er niet in slagen hen op te voeden en voor hen te zorgen. De Orde verzaakt, dat weten we al lang, maar wij zouden het heft in handen kunnen nemen.

 

Het laatste wat ik wil is de wanpraktijken van gratis wedstrijden goedpraten, maar we zijn doorheen de jaren schizofreen geworden. Ik maakte 3 jaar geleden van dichtbij een meesterproef mee van de Vlaamse Bouwmeester. Een competitie voor pas afgestuurde architecten die 1 week lang (keihard) op een Erfgoed project mochten werken. Ze kregen hiervoor een vergoeding van 500€/week. Ik denk dat de broodjes inclusief waren, de koffie ook. De droom van een eerste eigen project al helemaal. Enige kennis van een economische realiteit niet. Daarvoor moest je op een ander. Terecht, want de Bouwmeester staat voor architecturale kwaliteit, dat is zijn doel. Niets op aan te merken, integendeel zelfs. Aan de andere zijde hoor ik luide stemmen dat gratis wedstijden verwerpelijk zijn. Overheden dienen te betalen wat een architect waard is, zonder meer en zonder veel kritische bedenkingen. Kunnen we dit discours blijven aanhouden? In een ideale wereld zouden de overheden ons correct vergoeden en zouden wij hierdoor onze stagiairs niet moeten uitbuiten. De hedendaagse praktijk leert ons dat het anders is. De vraag is alleen waar het begint.

 

Investeren in jong talent

Ik hoor een luide roep van architecten om niet onder de prijs te werken. Wat betekent dat precies? Voor de ene onder de prijs is voor de andere vlot boven de prijs. Hoe kunnen we prijzen vergelijken als we niet weten wat we voor die prijs moeten doen, of beter gezegd, willen doen. Onder de prijs betalen daarentegen wordt met de mantel der liefde bedekt. Nooit hoor ik een bedrijfsvisie die overtuigd is dat je een professionele partner bent binnen het bouwgebeuren als je eigen opgeleide kwaliteit in huis kan houden. Want als we dat laatste verkondigen, ligt de verantwoordelijkheid bij ons zelf. Dan vertrekken we vanuit onze eigen bedrijfsvisie waarbij we inzetten op lange termijn, op onze eigen mensen en hun kwaliteiten. Waarbij we graag investeren in jonge architecten omdat we weten dat die renderen op langere termijn.

 

Door een erbarmelijke Orde en een clubje van gepensioneerde conservatieve denkers hebben we ons doorheen de vele jaren in slaap laten wiegen en werd ons Calimerohoedje groter en groter. Ongeveer alles en iedereen is de schuld van ons lage ereloon. Ik lees reacties van architecten die telkens weer moeten kiezen voor ‘het project’ of ‘een aanvaardbaar ereloon’. Is dat niet in alle sectoren vanzelfsprekend dat niet alle projecten even winstgevend zijn? Dan is het de kunst te kiezen op welke projecten je heel hard wil inzetten. Binnen ons economisch stelsel gaan we nu eenmaal uit dat concurrentie beter maakt. Drie aannemers vergelijken zorgt er toch ook voor dat onze details niet belachelijk duur worden? We kunnen toch ook stellen dat de niet mis te verstane kwaliteit van de Architectuur in Vlaanderen één op één vasthangt met concurrentie? Hoe zouden we onszelf anders scherp houden? De vraag is alleen hoe ver we daar zelf in meestappen. Als we nu eens voor één keer de aannemer niet als een mogelijke bedrieger zien maar luid roepen dat we vanaf 2022 onze medewerkers betalen volgens een benchmark van wat aannemers betalen aan universitaire profielen. Dan zouden we al tenminste zeker zijn dat ons beroep niet leegloopt naar die aannemers wanneer je de 35 passeert. Dan zouden dames met onnoemlijke kwaliteiten in het beroep kunnen blijven. Dan zouden we automatisch tot een realistische bedrijfsvisie en een bijhorende overhead komen waarmee je moet leren omgaan. Kiezen waarin je wel en niet investeert. Het zou zomaar even anders kunnen moesten we vanuit onze eigen kracht en de daarbij horende bedrijfsvisie vertrekken. Wanneer je inzet op kwaliteit kunnen we niet meer zomaar meedoen aan alle wedstrijden en gaan we overheden laten beseffen dat kwaliteit enkel kan behaald worden door deftig te vergoeden. En waarschijnlijk zal de overheid kiezen zoals wij doen.

 

We staan niet scherp genoeg meer in het bouwgebeuren. We zijn niet kritisch meer. We hebben als volledige beroepsgroep veel te vaak het gevoel dat de overheid maar moet zorgen voor ons. De Orde is een tuchtorgaan. Laat ze hun ding doen, met de voorwaarde dat ze zich beperken tot waarvoor ze dienen. Met minimumbarema’s gaan we onze kwaliteit niet beter aan de man/vrouw kunnen brengen. Dit kunnen we enkel door te investeren in onze meerwaarde en onze mensen en volop de kaart te trekken van het duurzame ondernemerschap. Wij zitten aan de basis van een economische tak die invloed heeft op de volledige leef- en leeromgeving: hoe we wonen, hoe we leven, hoe we ons bewegen en hoe we met elkaar omgaan. Laat ons daarom inzetten op kwaliteit en een sterke eigen visie. Te starten in ons eigen kantoor.

 

En wat een realistische overhead zou moeten zijn, daar heb ik het graag de volgende keer over.