Akoestiek moet je als architect al bij de aanvang van het project in rekening brengen. Veel architecten zien dit over het hoofd en komen later in de problemen omdat ze veel zaken opnieuw moeten aanpassen. Een geïntegreerde aanpak waarbij je de akoestiek in conjunctie bekijkt is dan ook “the way forward”.

Het is zo dat een zuiver thermische/energetische aanpak in het begin niet voldoende is om het project tot een goed einde te brengen. Vandaar het belang van een geïntegreerde aanpak. Men vergete ook niet dat de toepassing van de akoestische norm(en) een verplichte zaak is in het bouwproces.

 

Belangrijk hierbij is dan de juiste keuze voor de materialen en vooral de juiste uitvoeringsdetails. Bij een correcte aanpak is dan, mits correcte uitvoering, een “normaal comfort” voor het gebouw gemakkelijk te behalen. Het behalen van een “verhoogd comfort” vergt meer nazicht en doorgedreven keuzes voor de materialen. In alle gevallen moet het gewenste kwaliteitsniveau duidelijk vermeld te worden in het (verkoops)lastenboek.

 

Ook in de toekomst zullen we een grotere focus zien op akoestiek. Beleidsmakers streven met de betonstop naar een grotere woondichtheid, bewoners verlangen een hoger comfort/kwaliteit en het omgevingslawaai stijgt.

 

In wat volgt bekijken we enkele detailaansluitingen die cruciaal zijn bij de integratie van akoestische oplossingen.

 

Vensteraansluiting

De aansluitingen van een venster moeten tegenwoordig perfect luchtdicht uitgevoerd worden. Maar luchtdicht betekent niet dat het akoestisch in orde is! Andersom geldt het meestal wel. De luchtdichtheidsfolie of tape wordt altijd langs de binnenkant van het gebouw geplaatst. Men kan inzien dat hierdoor de luchtstromen doorheen de gebouwschil beperkt blijven doch dit garandeert geen akoestische isolatie.

 

We moeten meer in detail treden. Bij een venster is het glas primordiaal. In tweede instantie is het type schrijnwerk van belang. In laatste instantie de aansluitingen. Dit is de volgorde van aanpak. Met andere woorden, in akoestiek spelen deze drie delen een complementaire rol. Zo is het dat als men een goede keuze maakt voor het glas en het schrijnwerk, doch de aansluiting is akoestisch niet verzorgd, dat dan de totale oplossing niet zal voldoen. Omgekeerd heeft het geen zin om de aansluitingen akoestisch te verzorgen als het glas en/of het schrijnwerk niet naar behoren gekozen is. De uitspraak “alle beetjes helpen” is hier dus niet van toepassing (opmerking: bij thermische isolatie eerder wel).

 

Bij de aansluitingen van het venster hebben we als onderdelen: de afwerking buiten, de holtes tussen het schrijnwerk en de ruwbouw en de afwerking binnen. Voor de afwerking buiten hebben we meestal het schrijnwerk achter de slag  (deels achter het metselwerk). De voeg tussen het metselwerk en het raam wordt dan best opgekit of opgevuld met een zelfexpanderende schuimband. De holtes tussen het raam en de ruwbouw worden in de praktijk meestal opgeschuimd met een PU-schuim. Het is aan te raden om hiervoor de meer akoestisch absorberende schuimen te gebruiken van polyurethaan. Nog beter zou zijn om de holtes op te vullen met rotswol. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een correcte applicatie van de drie onderdelen (achter de slag), het verschil tussen PU-schuim en rotswol rond de 1 à 2 dB ligt in het voordeel van de rotswol. Mocht de buitenafwerking een paneel zijn (in plaats van een gevelsteen), dan zou het verschil nog groter zijn. De afwerking binnen is daarom cruciaal in het totaalparcours van het geluid van buiten naar binnen. Zoals gezegd zal het gebruik van luchtdichtingsfolies geen echte meerwaarde betekenen op akoestisch vlak. Belangrijker hier is het gebruik van “akoestisch buigslappe” panelen (bijvoorbeeld gipsplaten) die aansluiten op het raam en de ruwbouw. De randen worden soepel afgekit. Elke holte tussen de platen en de ruwbouw/raam wordt opgevuld met minerale wol (al is het zelfs maar 2 cm). Het gebruik van de stijve thermische isolatieplaten als binnenafwerking wordt afgeraden.

Impact van raamdichtingen op de luchtlekken in de omtrek van het venster. © Blasco

Vloer-muur aansluiting

De materiaalkeuzes voor zowel de vloer als de wand zijn hier cruciaal. Maar ook de opbouw speelt een belangrijke rol. De types knooppunten tussen vloeren en muren zijn dus ook belangrijk en bepalen grotendeels de totale akoestische isolatie tussen lokalen. Voor woningscheidende muren gaan we er altijd van uit dat de muur rust op de structurele vloer. Hierbij kan de muur een enkele muur zijn met een voorzetwand (omwille van thermische redenen) of een dubbele muur (met een spouw opgevuld met (5 cm) minerale wol).

© WTCB

Bij het gebruik van een dubbele muur zullen veelal de onderscheiden spouwbladen “lichter” zijn (men spreekt steeds in termen van oppervlaktemassa niet van dichtheid). Hier kan het van belang zijn om de spouwbladen te laten rusten op resiliërende strips, die akoestische trillingen verder kunnen onderdrukken, indien de spouwbladen een te lage oppervlaktemassa hebben, i.h.b. lager dan 150 kg/m2. De samenstelling van deze strip is cruciaal en zal dus afhangen van het aantal bouwlagen indien gebruikt onder dragende muren. Bij een groot aantal bouwlagen kan het gebruik ervan niet meer de verhoopte resultaten geven omwille van de te grote lijnlasten en dus te stijf product. De keuze tussen een enkele muur met voorzetwand of een dubbele muur hangt verder af van praktische modaliteiten, structurele parameters en economische factoren.

© Wienerberger

Een vloerbekleding mag dit concept onder geen enkel beding teniet doen. Dit betekent dus dat de vloerbekleding geen contact mag maken met de omringende muren, ook niet via een lijm- of mortelvoeg. De randisolatie speelt hier dus een belangrijke rol. Een eventuele plint mag ook geen contact maken met de vloerbekelding zelf. Hier laat men dus een spleet tussen plint en vloerbekleding die opgevuld wordt met soepel blijvende kit. Tussen verschillende woonentiteiten wordt ook de zwevende dekvloer onderbroken door de woningscheidende wand.

Een laag geëxtrudeerd polyethyleenschuim met gesloten cellen met een dikte van minimaal 5 mm wordt ook gewikkeld rond alle doorvoeren van leidingen die een contact tussen de structurele vloer en de zwevende dekvloer zouden veroorzaken. Alle doorvoeren worden steeds langs de rand luchtdicht afgekit met zware mastiek. Een laag geëxtrudeerd polyethyleenschuim met gesloten cellen met een dikte van minimaal 5 mm wordt ook voorzien in alle voegen tussen de zwevende chapes van verschillende lokalen.

Zwevende dekvloer met minerale wol als akoestische onderlaag. © BLASCO

Plafonds

Verlaagde plafonds of valse plafonds worden om akoestische redenen aangewend om de akoestische isolatie (in het bijzonder voor luchtgeluid) tussen kamers te verbeteren of de ruimteakoestiek in de ruimte zelf aan te passen. Voor de akoestische isolatie maakt men gebruik van “dichte en volle” plafonds bestaande uit gipsplaten (best tweemaal 12,5 mm dikke platen). Deze worden gemonteerd op een metalen regelwerk. Het plenum tussen de vloer en het plafond wordt best volledig (of zo veel als mogelijk) opgevuld met minerale wol. De randvoegen van het plafond (ongeveer een 2-tal mm spleet) worden opgespoten met een soepele kit (over de volle dikte van de platen). Er worden dus geen harde contacten gecreëerd tussen het plafond en een verdere afwerking van de muur (bijvoorbeeld: (dunne) pleister of lijm). Men beschouwt het verlaagde plafond dus als een soort “horizontale voorzetwand”. Het metalen regelwerk kan, als de minimale dimensie in de kamer een 4-tal meter is, onafhankelijk gemonteerd worden van de vloer. De hoofdprofielen worden dus op de wanden geschroefd. In het andere geval zal men gebruik moeten maken van (akoestische) plafonddragers. Zoals gezegd biedt deze oplossing een goede verbetering van de luchtgeluidsisolatie en minder van het waargenomen contactgeluid. Contactgeluid pakt men beter aan langs de bovenkant van de vloer. Het spreekt voor zich dat deze plafonds niet doorlopen naar andere kamers; dit zou de luchtgeluidsisolatie niet ten goede komen.

 

Om de ruimteakoestiek in de ruimte aan te passen kan men ook “absorberende” plafonds gebruiken (bijvoorbeeld: hard geperste minerale wol platen, geperforeerde gipsplaten met minerale wol in het plenum, houtwolcementplaten, akoestische spuitpleister, enz...). Dit wordt veel toegepast in kantoren, inkomzalen, atria, eetzalen, enz... Hierbij zorgt het opencellig karakter van het materiaal in het plafond voor het akoestisch “absorberen” van geluidsgolven (reflectiekarakteristiek daalt hierbij sterk). Het spreekt ook voor zich dat het schilderen van dit type plafonds niet aangewezen is, tenzij het met zeer dunne lagen kan gebeuren (in de orde van 20 micron).

 

Deuren

Het plaatsen van akoestische deuren blijkt in de praktijk geen gemakkelijke opgave. Men kan dit bestempelen als specialistenwerk. Ook hier spelen alle onderdelen van de deur een cruciale rol; dus enkel focussen op het deurblad en niet op de rest is uit den boze. Zo onderscheiden we: het deurblad, het kassement, slaglatten, dichtingen en hang- en sluitwerk.

 

Een akoestisch deurblad is een massief deurblad. De deurkern is hierbij opgebouw uit gelamineerde massieve platen (meestal speciale houtspaanderplaten). De buitenkanten worden dan eventueel nog van een metalen laag voorzien (staal: inbraakwerend, brandwerend, akoestisch / lood: akoestisch) in combinatie met HDF-platen. Zulke deuren wegen al snel meer dan 50 kg/m2. Het hangwerk is dan ook cruciaal: voldoende scharnieren worden voorzien om kromtrekken tegen te gaan en het kassement moet voldoende stabiel en verankerd zijn in een stevige muur. De spouw tussen het kassement en de ruwbouw wordt volledig gevuld met minerale wol. Hier is het gebruik van PU-schuimen niet aan te raden.

Minder evident is de dichting onderaan de deur. Veel installateurs hechten hier te weinig belang aan. Veelal is er tussen de onderkant van het deurblad en de afgewerkte vloer een te grote speling. Dit kan doordat de vloer niet waterpas is waardoor de speling groter moet zijn. Maar dit heeft onmiddellijk negatieve gevolgen voor de akoestische prestaties van de deur. Het is namelijk zo dat een slechte onderkant van de deur (bijvoorbeeld: geen dichting onderaan de deur) 3 dB meer impact heeft op de totale prestaties dan een slechte zijkant (bijvoorbeeld: een onvoldoende ingedrukte dichting). Dus samenwerking/coördinatie tussen de aannemer en de installateur van de deuren is hier op zijn plaats. De speling tussen deur en vloer aan de onderkant mag maximaal 3 mm bedragen en het deurblad moet voorzien zijn van een valdorpel. Deze wordt zo afgesteld dat bij het sluiten van de deur de (rubberen) dorpel hard tegen de vloer wordt aangedrukt over de volle lengte ervan.